Kop
Bijbelstudie
Maak uw keuze:

Vrijheid

Bevrijd

In vele christelijke liederen komen we tegen dat we vrij zijn of bevrijd zijn. Wat wordt hiermede eigenlijk bedoeld? Wat zegt de Bijbel over vrijheid en bevrijding? Hebben christenen meer vrijheid dan niet-christenen? Hebben degenen die geen christen zijn deze vrijheid niet? Mogen we als christen ons meer veroorloven dan anderen? Hoeven we ons van anderen niets aan te trekken? Zijn we als christen vrij om te doen en laten wat we willen? Laten we maar eens onderzoeken wat de Bijbel hierover zegt en u zult ontdekken, dat uw vrijheid veel meer omvat, dan dat u wellicht dacht, maar misschien ook heel veel minder is, dan er soms wel eens beweerd wordt.

Spreekt de Bijbel over vrijheid?

We zullen allereerst nagaan of de Bijbel spreekt over vrijheid en voor wie deze geldt. In Joh 8:32 zegt Jezus ons, dat de waarheid ons zal bevrijden. Er is dus kennelijk een vrijheid, die verkregen wordt, en die er dus eerst niet was. En deze vrijheden gelden kennelijk alleen voor christenen! Rom 6:22 zegt, dat de bevrijding verband houdt met het in dienst staan van God, en toewijding aan Hem. Er is voor een christen dus een bevrijding, die hem een vrijheid oplevert.

Wie is degene die bevrijdt?

We zijn in Joh 8:32 reeds de tekst tegengekomen, dat Jezus zegt, dat de waarheid de bevrijder is. Met de waarheid bedoelt Jezus echter zichzelf. Dit kunnen we lezen in Joh 14:6, waarin Jezus zich de Weg, de Waarheid en het Leven noemt. Ook Joh 1:17 verbindt Jezus Christus met de waarheid. In Joh 8:36 lezen we, dat de Zoon (= Gods Zoon, Jezus Christus) vrijmaakt. Jezus Christus is dus de Bevrijder! De Zoon van God, die in In Mat 20:28 de Mensenzoon genoemd wordt, heeft losgeld betaald met Zijn eigen leven. Losgeld wordt er betaald, om iemand die niet vrij is, een slaaf, een gevangene of een gijzelaar bijvoorbeeld, vrij te kopen. Gal 5:1 zegt het zeer duidelijk. Het is Christus, die bevrijdt!

Welke beperkingen heeft de vrijheid van een christen?

Vele christenen zijn van mening, dat ze vrij zijn, en zich daarom van niets en niemand iets aan hoeven te trekken. God heeft ze in de vrijheid gesteld en daarom stippelen ze zelf hun eigen leven uit en doen wat hunzelf goed dunkt.

Toch is dit NIET datgene wat de Bijbel met vrijheid bedoelt.

Een christen is anders en behoort zich anders te gedragen, overeenkomstig Gods wil (Rom 12:2). Leven volgens Gods wil, is dus niet zomaar doen wat je zelf wilt.

Wat is Gods wil?

Het is Gods wil, dat we:

a. Stoppen met zondigen.
Het is een christen niet toegestaan te zondigen tegen God. Jezus gelast de overspelige vrouw, om in het vervolg niet meer te zondigen (Joh 8:10-11). Ook Paulus zegt, dat het een christen niet toegestaan is om te zondigen (Rom 6:1-2, Rom 6:15).
b. Niet egoïstisch zijn, maar omzien naar onze naaste en hem dienen.
Geen misbruik maken van de vrijheid maar elkander in liefde dienen (Gal 5:13-14).
c. Een heilig leven leiden.
God vraagt van ons, dat we een heilig en zuiver leven leiden, en ons lichaam niet verontreinigen (Rom 6:19, 1 Tes 4:3-7). De ontucht neemt onder de zonden een aparte plaats in en wordt in de Bijbel herhaaldelijk apart genoemd. Dit is, omdat we door de ontucht ons lichaam verontreinigen, terwijl ons lichaam heilig moet zijn, daar het een tempel is van God, omdat de Heilige Geest in het lichaam van elke christen woont (1 Kor 3:16-17, 1 Kor 6:18-20).
d. God en onze naaste liefhebben, met alles wat we hebben en zijn.
Zie het gesprek, dat Jezus met een wetgeleerde hield (Luc 10:27-28).
e. De Here Jezus liefhebben, vertrouwen, gehoorzamen en volgen.
Er worden hier vier elementen genoemd.
  1. Liefhebben. - Wie de Here Jezus niet lief heeft, is vervloekt (1 Kor 16:22).
  2. Vertrouwen. - Vertrouwen, dat Jezus de voor jou persoonlijk de Verlosser is. Enkel geloven dat Jezus bestaat is niet voldoende. Toen Jezus op aarde rondliep, zij Hij, dat ze in Hem moesten geloven. Iedereen geloofde, dat Hij bestond, want ze zagen Hem rondlopen op aarde. Toch riep Jezus een ieder op, om in Hem te geloven. Hij bedoelde echter geloven, in de betekenis van: „vertrouwen in Hem stellen” (Joh 9:35-38, Joh 14:1, Joh 3:16).
  3. Gehoorzamen. - Niet alleen vertrouwen hebben, maar ook gehoorzaam zijn aan Gods wil (Joh 14:15, Joh 14:21, Joh 14:23-24, Joh 15:10, Joh 15:14, 1 Joh 2:3-5, 1 Joh 5:2-3a).
  4. Volgen. - Het voorbeeld van Jezus volgen en ook je kruis opnemen, evenals Jezus dat deed (Mat 10:38, Mat 16:24, Marc 8:34, Marc 10:21, Luc 9:23, Luc 14:27, Joh 13:15, 1 Joh 2:6). Jezus volgen, betekent vaak tegenstand ondervinden in de wereld en in veel landen op aarde betekent het ook vervolging. Het betekent ook je eigen leven in dienst stellen , of verliezen, omwille van Jezus (Mat 16:25, Marc 8:35, Luc 9:24).

Er worden dus duidelijk richtlijnen gesteld. Een christen is geroepen om door zijn gehele gedrag te laten blijken, dat hij een christen is, door te volgen en te gehoorzamen en om een heilig en liefdevol leven te lijden. Een christen zou ook niet anders willen, dan om zo te leven (2 Kor 5:14a, Filip 2:13).

Wat houdt de vrijheid in?

Zoals we gezien hebben, zijn we als christen zeker niet vrij om alles maar te doen wat in ons opkomt. Wat houdt die vrijheid dan in? Deze vrijheid omvat heel veel! We hebben, zoals reeds gezegd, zeer zeker geen vrijheid van handelen, maar we zijn wel bevrijd vanuit een zeer benarde situatie. In het volgende zal er punt voor punt behandeld worden, waarvan elke christen bevrijd is.

Als christen zijn we bevrijd van:

1. Slavernij.
We werden door God als slaven beschouwd, maar door Christus werden we bevrijd. Hij beschouwt ons nu als Zijn kinderen, waardoor we ook erfgenamen kunnen zijn. (Gal 4:7, Gal 3:25-26). Slaven kunnen niets erven; kinderen wel! Toch is alleen geloof in Jezus Christus niet genoeg om een kind van God te zijn!!! Door geloof heb je het voorrecht, om een kind van God te worden (Joh 1:12). Om een kind te zijn, moeten we behalve geloven, ook luisteren naar de Vader en doen wat Hij zegt. We moeten gehoorzame kinderen zijn die de leiding door Zijn Geest aanvaarden (Rom 8:14-17) en het voorbeeld van God volgen. (Ef 5:1-2). Als we Gods voorbeeld volgen, en geleid worden door Zijn Geest, dan willen we en zullen we rechtvaardig leven en Gods liefde uitdelen (1 Joh 3:10), want God zelf is liefde (1 Joh 4:8, 1 Joh 4:16b, Mat 5:43-48). Dit is allemaal niet zo makkelijk, maar als een goede en liefhebbende Vader helpt Hij Zijn kinderen bij de opvoeding en zorgt Hij voor een leerschool voor Zijn kinderen. (Heb 12:4-7). Deze leerschool moeten we echter wel doorlopen, en de lessen moeten we volgen, anders worden we niet als Zijn kinderen, maar als bastaardkinderen, dat wil zeggen onechte kinderen, beschouwd. (Heb 12:8).
2. Kerkelijke heffingen.
In Mat 17:24-26 lezen we de geschiedenis, dat de tempelbelastinggaarders aan de discipelen vroegen, of Jezus geen tempelbelasting afdroeg. Deze belasting behoorde iedereen te betalen en was ingesteld in de Wet van Mozes in Ex 30:11-16. Het antwoord dat Jezus geeft in Mat 17:24-26 is opmerkelijk. Hij zegt, dat kinderen geen belasting hoeven te betalen. Het gaat hier niet om het afdragen van de belasting die door de staat geheven wordt. Die moet wel betaald worden (Mat 22:19-21). Het gaat hier om het betalen van geld aan God, aan de Vader. De Vader heft wel belasting van Zijn volk, maar geen belasting van Zijn kinderen. Als kind van God hoeven we geen belasting voor Zijn Koninkrijk, zoals tempelbelasting, kerkelijke belasting, of tiendenbelasting te betalen. De Vader vraagt geen verplichte bijdrage aan Zijn kinderen. Kinderen van de Vader geven blijmoedig uit vrije wil en uit liefde, zonder dat er dwang op hen uitgeoefend wordt (2 Kor 9:7), zowel ten behoeve van het Koninkrijk van de Heer als ook voor hun behoeftige naaste (Rom 12:8b).
3. De Wet van Mozes.
De Wet van Mozes was aan Gods volk gegeven en hoort bij het verbond dat God met het volk van Israël sloot op de berg Sinaï. Mozes gaf de Wet aan Israël om die te laten nakomen in het land, dat Israël in bezit zou nemen (Deut 4:13-14). Andere volken in andere landen hebben daarom dus nooit onder de Wet van Mozes gestaan. Gods kinderen, de volgelingen van Jezus, staan echter niet onder deze Wet, ook al behoren zij tot de Israëliërs en wonen ze in het land Israël. Kinderen van God de Vader vallen niet onder de Wet, maar onder de genade! (Rom 6:14, Rom 7:6)
4. De macht van de zonde.
De zonde heerst in de wereld, maar hoeft geen macht meer te hebben over de christen. Hij heeft immers de wapenrusting van God gekregen om weerstand te kunnen bieden (Ef 6:13). De zonde heerst over de oude natuur van de mens (Rom 7:14, Rom 7:20-21), maar bij de christen, die zich laat leiden door de Heilige Geest heeft deze zonde geen macht meer over hem (Rom 6:14, Rom 6:17). De zonde dringt zich nog steeds bij hem op, maar hij kan weerstand bieden. Zijn oude natuur heeft hij aan het kruis genageld. (Gal 5:24). Er wordt hier niet beweerd, dat een christen niet kan zondigen! Hij kan er nog steeds voor kiezen, om te zondigen. De zonde blijft zich aan hem opdringen. Als hij zich laat leiden door de Heilige Geest en gebruik maakt van zijn wapenrusting, zal hij er echter weerstand aan kunnen bieden en niet zondigen (1 Joh 5:18). Een christen, die er bewust voor kiest om te zondigen, bedroeft de Heilige Geest, die bij hem is (Ef 4:30). Het is zelfs mogelijk, dat door zijn gedrag de Heilige Geest bij hem uit zal doven en dat het vuur uit de christen verdwijnt (1 Tess 5:19).
5. De macht van de satan.
God gaf aan de mensen de heerschappij over de aarde (Gen 1:26). Doordat de mens gehoorzaamde aan satan en zich liet verleiden tot zonde, kreeg echter satan de heerschappij over de wereld. De gehele wereld kwam in zijn macht (1 Joh 5:19). Hij wordt daarom dan ook de heerser van deze wereld genoemd (Joh 12:31, Joh 14:30, Joh 16:11). Toen Jezus op aarde was, toonde satan aan Jezus al zijn bezittingen, de gehele aarde, en bood ze Jezus aan. (Mat 4:8-9). Jezus sprak niet tegen, dat alles van satan was; Zijn bezwaar was, dat Hij zich niet wilde onderwerpen aan satan. Ten tijde dat Jezus op aarde was, is satan uitgebannen (Joh 12:31). Waarvan hij werd uitgebannen, kunnen we lezen in Openb 12:9. Dit speelt zich af na de geboorte van Jezus, die even daarvoor in hetzelfde hoofdstuk beschreven wordt (Openb 12:4-5). Voor deze uitbanning uit de hemel, kon satan nog in de hemel komen. Dit kunnen we lezen in (Job 1:6-12). Na zijn uitstoting uit de hemel is satan des duivels. Dit kunnen we lezen verderop in hoofdstuk 12 van Openbaringen (Openb 12:12), waarin staat, dat hij woedend is. Het is dan ook, dat Petrus zegt, dat satan rondgaat als een brullende leeuw, op zoek naar prooi (1 Pet 5:8). In de korte tijd die hij nog heeft, probeert hij te verslinden wie hij kan. Deze woedende en brullende satan heeft een geweldige en onweerstaanbare macht over de wereld en probeert ook iedere christen in zijn macht te krijgen. Toch zal de duivel van elke christen wegvluchten, op voorwaarde dat hij zich onderwerpt aan God en zich verzet tegen de duivel (Jak 4:7). De duivel heeft dan geen macht over de christen. Als we ons verweren tegen satan, dan zal God ons sterk en krachtig maken, zodat we niet vallen, maar staande blijven (1 Pet 5:8-10). We zijn dan niet meer in satans macht.
6. De macht van de wereld.
Ook de wereld zelf, met alles wat daarin is oefent macht uit. Velen vinden het aantrekkelijk, wat er in de wereld plaats vindt, zoals sex, drugs, drank, geldzucht, begeerte, inhaligheid, hoogmoed, macht over anderen, misdaad etc. Het oefent op hen een geweldige aantrekkingskracht uit. Op kinderen van God echter, oefent de wereld, met alles wat daarin te vinden is, geen aantrekkingskracht uit (Gal 6:14), anders zijn het geen kinderen van God (Jak 4:4, 1 Joh 2:15-17). Mocht u zich als vermeende christen toch tot de wereld aangetrokken voelen, ga dan maar eens na, hoe uw relatie met God is. Vriendschap met de wereld maakt u tot een vijand van God (Jak 4:4). Over kinderen van God heeft de wereld geen macht meer. Zij hunkeren niet naar wat de wereld te bieden heeft.
7. Zogenaamde religieuze regels.
In heel veel kerken worden allerlei religieuze regels toegepast, die niet uit de Bijbel komen, maar een verzinsel van mensen zijn. Dat is heden ten dage zo, en was in de tijd van Jezus en Paulus al niet anders. Beiden waarschuwen ertegen, dat dergelijke praktijken de mensen van de waarheid afleiden (Marc 7:7-8, Tit 1:13b-14). In de Brief aan de Kolossenzen (Kol 2:16-23) noemt Paulus een aantal van zulke religieuze regels, zoals spijsregels, het vieren van feestdagen, de sabbat, etc. en hij zegt daarbij, dat het een zelfbedachte Godsdienst is. In uw kerk komt dit natuurlijk niet voor, maar toch zullen hier een aantal praktijken volgen, die in diverse kerken ingeburgerd zijn en die niet uit de Bijbel komen, of, voor zover ze al in de Bijbel staan, stammen uit de Joodse traditie en daarom niet op het christendom van toepassing zijn. Uiteraard kan deze lijst niet volledig zijn. Toetst u voor uzelf echter of u een aantal praktijken herkent in uw Gemeente of Parochie:
  • Rozenkrans en/of weesgegroetjes bidden
  • Boetedoening en zelfkastijding
  • Heiligverklaringen
  • Op vrijdag geen vlees eten
  • Een wierookvat in de kerk hanteren
  • Wijwater sprenkelen
  • Mariaverering en heiligenverering
  • Bidden tot heiligen
  • Uit principe op zaterdag of op zondag naar de kerk gaan
  • Een broeder in Christus aanspreken met pater of vader, terwijl er maar één Vader is, namelijk God
  • Iemand dominee noemen, een woord dat afgeleid is van Dominus (= Heer), terwijl we maar één Heer hebben
  • De spreker trekt een toga of een kazuifel aan en stelt zich daarmee boven de anderen
  • Zich bij het zingen nagenoeg beperken tot de psalmen
  • Zingen op hele noten
  • De zondagsrust houden
  • Het rondgaan van de collectezak
  • Bidden met de ogen dicht en de handen gevouwen
  • Kerstfeest vieren met een kerstboom
Dit zijn zomaar een paar religieuze gebruiken, die veel toegepast worden, maar niets met christendom te maken hebben en waar de Bijbel voor waarschuwt, omdat het verzinsels van mensen zijn. Als christen bent u daarvan vrij. Deze gebruiken kunnen u van de waarheid afleiden. Mag u dan niet met de ogen dicht bidden? Jazeker wel. Als u zich op die manier beter kunt concentreren, dan kunt u uw ogen gerust sluiten, maar Gods Woord legt u dat niet op! Anderen mogen u dat daarom ook niet opleggen. Het gaat daarom een probleem worden, als dit soort regels vaste riten worden, kerkelijke gebruiken, waarvan een ieder vindt, dat ze toegepast behoren worden. Het mogen dus geen kerkelijke regels worden!
8. Zorgen.
De christen kan vrij van zorgen zijn. Hij mag immers al zijn zorgen aan de Heer geven (1 Pet 5:7).
In de Griekse brontekst wordt voor zorgen het woord „merimna” gebruikt, dat zorg of verdriet betekent.
Er worden in de praktijk nog wel eens 3 fouten in de interpretatie van deze tekst gemaakt:
  • De eerste fout is, dat er gedacht wordt, dat je al je problemen aan de Heer kan geven en dat je dan geen problemen meer hebt. Dat is niet wat deze tekst zegt. Je mag je zorg en je verdriet aan de Heer geven en de Heer wil dan je Helper en je Trooster zijn. Als je je zorg hebt overgegeven, dan kan je probleem blijven bestaan, maar je hebt er geen zorg meer over, want de Heer helpt je en troost je. Dat de Heer niet al je problemen overneemt, kun je wel zien aan wat de apostelen allemaal hebben beleefd. Paulus doet in 2 Kor 11:23-28 een boekje open over wat hij allemaal in de loop der jaren heeft meegemaakt. Hij had een kruis te dragen, dat zwaar beladen was met problemen, die de Heer niet van hem weggenomen heeft, maar zijn zorgen en verdriet kon hij bij de Heer kwijt, zodat hij gesterkt werd en door kon gaan met zijn werk voor de Heer.
  • De tweede fout is, dat gedacht wordt, dat de Heer de zorgen bij je wegneemt. Dat is echter niet wat de tekst zegt. Je moet je zorgen bij de Heer brengen. Het is een actie van jezelf. Voer je die actie niet uit, dan blijf je met je zorgen zitten. Het bij de Heer brengen kan uiteraard door middel van gebed.
  • De derde fout die gemaakt wordt is, dat we denken, dat als we de zorgen in gebed bij de Heer gebracht hebben, we deze zorgen dan aan de Heer gegeven hebben. Dit is niet zo. Er ontbreekt dan nog iets wat zeer belangrijk en essentieel is. Ik geef een voorbeeld. Als u aan uw vader een cadeautje voor zijn verjaardag geeft, dan biedt U hem het pakje aan. Uw vader pakt dit van U aan en u laat het pakje los. Dit laatste vergeten we vaak, als we iets aan de Heer geven. We bieden het wel aan, maar we laten het niet los! Als we het niet los laten, kan de Heer het niet tot zich nemen. We blijven er mee rondlopen en blijven gebukt gaan onder de zorgen, terwijl we ons afvragen, waarom de Heer ons gebed niet verhoort en ons met de zorgen laat zitten. Laat Uw zorgen los, als u ze aan de Heer gegeven hebt en vertrouw op de Heer!
Voor het overige worden de zorgen van de christen ook afgenomen, omdat hij erop vertrouwt, dat de Vader voor hem zal zorgen (Mat 6:25, Mat 6:34, Filip 4:6-7, Heb 13:5-6). Zorgen hebben, kan dus ook veroorzaakt worden, doordat we te weinig vertrouwen in de Heer hebben, en dat we niet geloven, dat Hij voor ons zal zorgen. We schieten dan te kort in geloof. Het is echter God die geloof schenkt (Ef 2:8, 1 Kor 3:5-7), zodat we God in een gebed ook om meer geloof kunnen vragen, zoals ook de vader van de bezeten jongen om meer geloof aan Jezus vroeg (Marc 9:24).
9. Angst voor de dood.
Christenen zijn bevrijd van angst voor de dood.
Sommigen van u kennen misschien wel het aloude paasliedje, waarin de tekst voorkomt:
Nu jaagt de dood geen angst meer aan,
want alles, alles is voldaan.
Wie in geloof op Jezus ziet,
die vreest voor dood en helle niet!

Dat is ook de boodschap die Jezus in Mat 10:28 verkondigt. De christen vreest de dood van het lichaam niet. Hij weet dat er nog een eeuwig durend leven zal volgen in de nabijheid van de Heer. Hij is geen slaaf meer van een levenslange angst voor de dood (Heb 2:14-15).
10. Ons lichaam.
De bevrijding van ons lichaam is nog toekomst. Pas als we ons lichaam verlaten en naar de Heer gaan, dan zijn we daarvan bevrijd (Rom 8:23, 2 Kor 5:6). Tot die tijd moeten we dit lichaam nog met ons meedragen en zijn daardoor nog steeds in staat om te zondigen. Als we van dit lichaam bevrijd zijn, dan zullen we niet meer zondigen. Daarom wordt dit in Rom 8:23 als een verlossing gezien.
11. De vloek.
Toen de mensheid in zonde gevallen was, werd heel de aarde, met alles erop en eraan door God vervloekt, inclusief de mens (Gen 3:14-19). Ze moesten onder deze vloek op de aarde zien te overleven, maar zouden toch uiteindelijk de dood vinden (Gen 3:19). Het is deze vloek, waarvan de christen bevrijd is. Jezus heeft deze vloek op zich genomen en gedragen aan het kruis (Gal 3:13). Betekent dit nu dat de vloek van de aarde verdwenen is? Neen, de vloek licht nog steeds op deze aarde. Er groeien nog steeds dorens en distels, de zwangerschap van de vrouw is nog steeds tot een zware last, en je ziet de mensen om je heen nog steeds dood gaan en begraven worden, waarna ze tot stof terug keren. Wat betekent het dan? De betekenis is, dat er een nieuwe aarde zal komen, zonder deze vloek (Openb 21:1). De vervloekte aarde, waarop wij nu leven zal geheel verdwijnen in het niets (Openb 20:11). Gods schepping wordt dus hersteld. In deze herstelde schepping, zonder vloek, krijgen ook de christenen weer hun plaats, waarmede ook voor hen de vloek is opgeheven. God zal weer bij hen zijn, zoals het was in het paradijs, voordat de mens in zonde viel (Openb 21:2-4).
12. Zondeschuld.
De zondelast, die op onze schouders ligt, neemt Jezus van ons over, indien we Hem vertrouwen en volgen. Hij bevrijdde ons van die last en rechtvaardigde ons en werd zelf één met de zonde, uit liefde voor ons, zodat wij met God verzoend konden worden (2 Kor 5:19-21, Mat 26:27-28, Ef 1:7-8a, Rom 6:18). Jezus gaf zichzelf aan ons en reinigde ons van al onze zonden (Tit 2:14, Heb 1:3).
13. Veroordeling.
De volgelingen van Jezus worden niet meer veroordeeld bij het laatste oordeel. (Rom 8:1, Joh 3-18, Joh 5:24). Zij zijn hiervan vrijgesteld, omdat de zondeschuld van hen weggenomen is (zie punt 12). Voor God bestaat die zonde zelfs niet meer (Mich 7:19). Hij denkt er niet meer aan (Heb 8:12). Voor mensen is het onmogelijk, om bewust ergens niet meer aan te denken. God kan dit echter. Als Hij iets wil vergeten, dan denkt Hij er niet meer aan. Zonden, die niet meer bestaan, en waaraan God niet meer denkt kunnen onmogelijk aan de mensen ten laste worden gelegd en kunnen dus nimmer tot een veroordeling leiden. Er blijft nog wel een oordeel over, voor de levenswandel van de christen. Dit is geen veroordeling, maar een beoordeling. (Mat 10:42, Heb 6:10). We kunnen daarom dan ook hemelse schatten verzamelen, die onderdeel van de Goddelijke beloning zullen zijn (Filip 4:17, Mat 6:19-20). De hemelse schatten, die u verzameld hebt, worden u als een beloning uitgerijkt bij dit oordeel. (Openb 22-12). Dit oordeel gaat echter ook over de daden die u gedaan heeft, en die niet zo positief zijn. Uw gehele levenswandel wordt beoordeeld, zowel de goede als de slechte daden. (2 Kor 5:10, Rom 14:11-12). Uw zonden, die vergeven zijn, en die God vergeten is, omdat Hij ze in het diepste van de zee heeft geworpen vallen dus niet onder dit oordeel. Wel onder dit oordeel vallen de onvergeven zonden tegen de Heilige Geest, omdat de Bijbel zegt, dat daar geen vergeving voor is (Marc 3:29). (Zie ook de Bijbelstudie over de zonde tegen de Heilige Geest.)
14. De Dood.
De christen is ook bevrijd van de dood. Hij zal niet meer sterven. Alhoewel de aardse dood nog steeds voor hem bestaat en zijn aardse lichaam tot stof vergaat (zie punt 11), zal zijn geestelijk, wedergeboren lichaam door deze aardse dood heen leven en niet sterven (Joh 3:36, Joh 11:25-26). Hij zal voor eeuwig leven bij God, in diens nieuwe schepping, zonder dood, pijn, rouw of jammerklacht (Openb 21:4). Wat heerlijk zal dat zijn. Wat een blij vooruitzicht!

Wij hebben in de voorgaande 14 punten gezien waar we allemaal vrij van geworden zijn. Wij hebben echter nog een belangrijke vrijheid gekregen. Dat is geen bevrijding van iets, maar een vrij en gratis toegangskaart, dat ons gehele leven geldig blijft. Wij hebben de vrijheid gekregen om tot Gods heilige troon te gaan (Heb 4:16, Heb 10:19-20, 1 Joh 3:21). Ook deze toegangskaart heeft u ontvangen dankzij het werk van Jezus Christus, onze Heer en Heiland, die voor onze zonden geboet heeft aan het kruis op Golgotha (Efez 2:18, Efez 3:11-12). Het is Jezus zelf, die de toegangsweg tot de Vader is. Alleen door Hem komen we tot de Vader (Joh 14:6). Hij is de enige toegangsdeur tot God (Joh 10:6-9).

Ik hoop van ganser harte, dat deze toegangsdeur ook voor u open zal staan.

(Peter Ju)