Bijbel

  Bijbelquiz "Wie zei het? - 3"  

Test uw kennis over wie de hierna volgende citaten sprak of schreef:

(Bij de citaten en de antwoorden is gebruik gemaakt van de Nieuwe Bijbel Vertaling - NBV.)

Citaat 1:
Houd de geboden die ik u vandaag opleg steeds in gedachten.
Prent ze uw kinderen in en spreek er steeds over,
thuis en onderweg, als u naar bed gaat en als u opstaat.
a) God.
b) Mozes.
c) Aäron.
d) Jozua.
e) David.

Citaat 2:
Ik ben de weg, de waarheid en het leven.
Niemand kan bij de Vader komen dan door Mij.
a) Jezus.
b) Matteüs.
c) Johannes.
d) Petrus.
e) Paulus.

Citaat 3:
Woorden hebben macht over leven en dood,
wie zijn tong koestert, plukt daarvan de vruchten.
a) Job.
b) David.
c) Asaf.
d) Salomo.
e) Jeremia.

Citaat 4:
Kalme woorden zijn een levensboom,
een valse tong vernietigt de geest.
a) Henoch.
b) Job.
c) Salomo.
d) Jeremia.
e) Hosea.

Citaat 5:
Laat uw liefde oprecht zijn. a) Jezus.
b) Johannes.
c) Petrus.
d) Paulus.
e) Schrijver van de Hebreeënbrief.

Citaat 6:
Wie rijk wil worden, staat bloot aan verleiding, raakt in een valstrik en valt ten prooi aan dwaze en schadelijke begeerten die een mens in het verderf storten en ten onder doen gaan. Want de wortel van alle kwaad is geldzucht. Door zich daaraan over te geven, zijn sommigen van het geloof afgedwaald en hebben ze zichzelf veel leed berokkend. a) Jakob.
b) Salomo.
c) Jezus.
d) Petrus.
e) Paulus.

Citaat 7:
Een rijkaard denkt dat zijn bezit een vesting is,
achter een muur waant hij zich veilig.
a) Samuel.
b) Natan.
c) David.
d) Salomo.
e) Schrijver van de Hebreeënbrief.

Citaat 8:
Beter een karige schotel groenten en liefde
dan een vetgemeste os en haat.
a) David.
b) Salomo.
c) Jezus.
d) Paulus.
e) Jakobus.

Citaat 9:
Wie op de akker van zijn zondige natuur zaait oogst de dood,
maar wie op de akker van de Geest zaait oogst het eeuwige leven.
a) David.
b) Salomo.
c) Jezus.
d) Paulus.
e) Jakobus.

Citaat 10:
Ik zeg u: zo zal er in de hemel meer vreugde zijn over één zondaar die tot inkeer komt dan over negenennegentig rechtvaardigen die geen inkeer nodig hebben. a) Jesaja.
b) Jeremia.
c) Ezechiël.
d) Jezus.
e) Johannes.

Citaat 11:
Je hebt geluisterd naar je vrouw, gegeten van de boom die Ik je had verboden. Vervloekt is de akker om wat jij hebt gedaan, zwoegen zul je om ervan te eten, je hele leven lang. Dorens en distels zullen er groeien, toch moet je van zijn gewassen leven. Zweten zul je voor je brood, totdat je terugkeert tot de aarde, waaruit je bent genomen: stof ben je, tot stof keer je terug. a) Gabriël.
b) Michaël.
c) God.
d) Satan.
e) Melchizedek.

Citaat 12:
Wees niet bang voor hen die wel het lichaam maar niet de ziel kunnen doden. Wees liever bang voor hem die in staat is én ziel én lichaam om te laten komen in de Gehenna. a) God.
b) Elia.
c) Salomo.
d) Josafat.
e) Jezus.

Citaat 13:
Dien alleen de HEER. Wanneer u daar niet toe bereid bent, kies dan nu wie u wel wilt dienen: de goden van uw voorouders ten oosten van de Eufraat of de goden van de Amorieten, van wie u nu het land bewoont. In ieder geval zullen ik en mijn familie de HEER dienen. a) Jozua.
b) Gideon.
c) Ruth.
d) Ester.
e) Hizkia.

Citaat 14:
Een goede boom brengt geen slechte vruchten voort,
en evenmin brengt een slechte boom goede vruchten voort.
Elke boom kun je aan zijn vruchten kennen,
want van distels pluk je geen vijgen en van doornstruiken geen druiven.
a) Job.
b) Asaf.
c) Salomo.
d) Jezus.
e) Paulus.

Citaat 15:
Elke boom die geen goede vruchten draagt, wordt omgehakt en in het vuur geworpen. Zo kunnen jullie hen dus aan hun vruchten herkennen. a) Asaf.
b) Salomo.
c) Ezechiël.
d) Jezus.
e) Paulus.

Citaat 16:
Kom tot inkeer, want het koninkrijk van de hemel is nabij! a) Samuel.
b) Elia.
c) Jesaja.
d) Jezus.
e) Johannes de Doper.

Citaat 17:
Laat ieder van ons zich richten op het belang van de ander,
op wat goed en opbouwend voor hem is.
a) Aäron.
b) Eli.
c) Samuel.
d) Paulus.
e) Jakobus.

Citaat 18:
U weet dat het Joden verboden is met niet-Joden om te gaan en dat ze niet bij hen aan huis mogen komen, maar God heeft me duidelijk gemaakt dat ik geen enkel mens als verwerpelijk of onrein mag beschouwen. a) Petrus.
b) Cornelius.
c) Paulus.
d) Stefanus.
e) Barnabas.

Citaat 19:
Dat beschaamd en vernederd worden wie mij naar het leven staan, dat eerloos terugdeinzen wie mij kwaad willen doen. Laten zij verwaaien als kaf in de wind wanneer de engel van de HEER hen opjaagt, laat hun weg donker en glad zijn wanneer de engel van de HEER hen vervolgt. Zonder reden hebben ze een net gespannen, zonder reden een kuil voor mij gegraven. a) Job.
b) David.
c) Jeremia.
d) Daniël.
e) Ester.

Citaat 20:
Pas op, hoed je voor iedere vorm van hebzucht, want iemands leven hangt niet af van zijn bezittingen, zelfs niet wanneer hij die in overvloed heeft. a) Salomo.
b) Jezus.
c) Petrus.
d) Jakobus.
e) Paulus.

Citaat 21:
Ik zal u een zwaar juk opleggen, ik zal het zelfs nog verzwaren.
Mijn vader heeft u gehoorzaamheid geleerd met zwepen,
ik zal u gehoorzaamheid leren met schorpioenen.
a) Salomo.
b) Rechabeam.
c) Jerobeam.
d) Abia.
e) Asa.

Citaat 22:
Geen inwoner zegt nog: ‘Ik ben ziek,’
de hele bevolking is van schuld bevrijd.
a) Mozes.
b) Aäron.
c) Jesaja.
d) Amos.
e) Obadja.

Citaat 23:
Almaar onvervulde hoop maakt ziek,
vervuld verlangen is een levensboom.
a) Job.
b) Elihu.
c) Salomo.
d) Jezus.
e) Jakobus.

Citaat 24:
Laten wij naar hen toe gaan en spraakverwarring onder hen teweegbrengen, zodat ze elkaar niet meer verstaan. a) God.
b) Elia.
c) Elisa.
d) Jezus.
e) Petrus.

Citaat 25:
De zondaar vraagt te leen en brengt niet terug,
de rechtvaardige geeft, uit mededogen.
a) Job.
b) David.
c) Asaf.
d) Salomo.
e) Paulus.

Citaat 26:
Ik wist niet, broeders, dat hij de hogepriester is. Er staat inderdaad geschreven: “Een leider van je volk mag je niet verwensen.” a) David.
b) Salomo.
c) Petrus.
d) Cornelius.
e) Paulus.

Citaat 27:
Tabita, sta op! a) Elia.
b) Elisa.
c) Jezus.
d) Paulus.
e) Petrus.

Citaat 28:
Vraag me toch niet langer u te verlaten en terug te gaan, weg van u.
Waar u gaat, zal ik gaan, waar u slaapt, zal ik slapen;
uw volk is mijn volk en uw God is mijn God.
a) Lea.
b) Sippora.
c) Delila.
d) Noömi.
e) Ruth.

Citaat 29:
U zegt: ‘Alles is toegestaan.’ Zeker, maar niet alles is goed.
Alles is toegestaan, maar niet alles is opbouwend.
Wees niet op uzelf gericht, maar op de ander.
a) Mozes.
b) Ezechiël.
c) Paulus
d) Petrus.
e) Barnabas.

Citaat 30:
Naakt ben ik uit de schoot van mijn moeder gekomen
en naakt zal ik in haar schoot terugkeren.
De HEER heeft gegeven, de HEER heeft genomen,
de naam van de HEER zij geprezen.
a) Job.
b) Abraham.
c) Jakob.
d) Saul.
e) Nebukadnessar.